'Ik haat je!' Het kwam van schijnbaar diep. Zijn antwoord was niet echt verwacht.
'Ik haat jou ook' .
'Nou', was haar snelle antwoord,' wat doe je hier dan nog? Als je me zo haat, waarom ben je hier dan nog?'
'Jij gaat toch ook niet weg', schreeuwde hij haar toe, 'ik haat je als je zo doet'.
'Het is mijn huis, ik ga niet weg', beet ze hem toe en voelde op de achtergrond haar knagende ziel. De kinderen stil voor de tv, ze hoorden ieder schreeuwend woord. Papa en mama horen niet te schreeuwen en zeker niet elkaar te haten. Papa en mama horen te lachen en te zingen en elkaar te knuffelen als ze elkaar gedag zeggen. Maar papa ging weer naar de zoveelste afspraak en mama trok het allemaal niet meer. Haar leven was gevuld met het leven van de kinderen en van haar man. Slechts één avond kon ze zelf iets voor haar zelf doen. Anders moest ze oppas regelen, want hij was altijd weg. Ze had het gevoel altijd te moeten rennen en nooit was het goed genoeg. Ze moest veel van haarzelf en verlangde naar haar liefde die niet bij haar kon zijn. Ze verlangde naar rust en warmte. Ze verlangde naar wat er nooit zou kunnen zijn.
Hij schreeuwde van alles, maar zij zweeg uiteindelijk. Het pijnlijke besef van de kinderen, ze hoorde hun hartjes bijna letterlijk breken. Ze was bang voor hem, ze wist hoe het gaan kon als ze zweeg. Snel was ze weg, de trap op, de badkamer in. De enige kamer met een slot. Ze hoorde zijn gestamp al snel op de trap. Ving wat vage woorden van hem naar de kinderen op. 'Mama...' Het zou vast weer iets kwetsends zijn, wat de kinderen niet snappen konden, maar des te meer zouden voelen. Ze kromp ineen bij zijn gebonk op de deur. Ze kon het niet. Van het geschreeuw overgaan op praten, op wéér de minste te moeten zijn. Hij schreeuwde nog wat en vertrok naar zijn afspraak. Veel te vroeg, maar des te beter. Ze was opgelucht dat hij verder geen scene trapte. Zacht opende ze de deur en wachtte tot hij de straat uit reed.
Haar kinderen tegen haar aan, samen op de bank. De televisie overstemde wat er eerder was gebeurd en niemand sprak een woord. Wegslikken die tranen en niet weten of ze nu wel of niet met haar kinderen praten moest. Ze wist het allemaal niet meer.
Het was best gezellig, de kinderen zeiden niets en mama ook niet. Het was niet gebeurd. Televisie en drinken en een koek en straks zingen we liedjes voor het slapen gaan.
Later zat ze alleen beneden, starend naar haar mobiel, beslissend om toch niet te sms-en. Ze wist het niet meer. Voelde haar falen als de bekende zware last op haar schouders landen.
Het was weer gaan sneeuwen.
Sneeuw bedekt alle rottigheid.